dit is de site van Cariet Leeuwis,
kinderboekenschrijfster
| wie-wat-waar? | voorlezen op school | links |
| boeken | tipje van de sluier | van schrijver tot boek |
| schrijftips | over Cariet | peuterhoek |
schrijftips
Wie is jouw favoriete schrijver?
Simone van der Vlugt?
Jacques Vriens?
J.K. Rowling?
Francine Oomen?
Wil jij net zo beroemd worden als je favoriete schrijver?
Begin dan nu al met het schrijven van verhalen. Het hoeft niet gelijk een dik
boek te worden, begin maar eens met een kort verhaaltje.
Wanneer is een boek goed geschreven?
Volgens Cariet is een boek goed geschreven als je steeds nieuwsgierig bent naar
wat er komen gaat. Als je het niet weg wil leggen en steeds maar door wil lezen.
Als je eigenlijk al op de volgende bladzijde verder wil gaan, terwijl je deze
nog moet lezen. Als je alles om je heen vergeet. Als het zo'n indruk maakt dat
je er steeds aan moet denken, ook al ben je niet aan het lezen. Dan is het een
goed boek.
Of, zoals Roald Dahl (schrijver van bijv. Sjakie en de chocoladefabriek) het zo mooi zei: 'Een verhaal moet een kind bij de strot grijpen en niet meer loslaten.'
En Paul van Loon zegt:

Natuurlijk moeten de zinnen niet te moeilijk zijn en mogen er geen taalfouten instaan. Ook moet het boek er goed uitzien, met een mooie voorkant en achterop in het kort beschreven waar het over gaat. Dit is belangrijk, aan de hand daarvan bepaalt iemand of hij het boek wel of niet wil lezen. Voor jonge kinderen staan er in het boek plaatjes, voor oudere lezers hoeft dit niet. En ruik jij weleens aan een (nieuw) boek? Mmm, heerlijk, zo vers van de pers!
Maar hoe schrijf je dan zo'n boek?
![]()
Je moet op verschillende dingen letten als je een verhaal schrijft.
Bedenk eerst voor wie je wil gaan schrijven. Wil je een
prentenboek maken voor je kleine zusje of word het een heel spannend verhaal
voor je klasgenoten van 10 jaar?
Als je voor peuters of kleuters wilt gaan schrijven let dan op de
volgende dingen:
-Schrijf in het 'hier en nu', dus wat er op dat
moment gebeurt. Maak geen (grote) sprongen in de tijd, dus niet: en toen en
toen.... Beschrijf één situatie tegelijk.
-Gebruik korte zinnen en geen algemene woorden zoals allemaal, altijd, nooit,
niemand; en andere woorden die ze nog niet goed begrijpen. Zeg bijvoorbeeld niet: het
is acht uur, als ze nog geen klok kunnen kijken.
-Denk er steeds bij: kan wat ik schrijf getekend worden? Want
plaatjes zijn in zo'n boek natuurlijk heel belangrijk.
-Probeer door de ogen van een klein kind te kijken. Voor een peuter zijn een
heleboel dingen nieuw. Ze kunnen vol bewondering naar sneeuw kijken omdat
ze dat nog nooit gezien hebben, of naar een kuikentje of een roltrap of een
pot augurken...
-Schrijf over gebeurtenissen die dicht bij het kind staan. Hoe jonger het kind,
hoe kleiner het wereldje is. Peuters hebben genoeg aan boekjes over thuis, opa
en oma, de winkel, de speelzaal of de kinderboerderij.
Kinderen van 3 tot 6 jaar hebben al
aardig wat fantasie en vinden het meestal leuk daarover te lezen, vooral als er
mooie tekeningen bij staan. Ook de 'gewone' boeken, zoals bij de kleuters
beschreven blijven leuk. Je kunt er nu wel iets meer tekst in gebruiken.
Vanaf een jaar of 7 gaan kinderen
zelf lezen (voorleesboeken blijven ook leuk natuurlijk...). Je hebt
verschillende AVI-nivo's. Voor elk nivo zijn regels over de lengte van de
woorden en de zinnen. Als je zulk soort boekjes (leesvaardigheidsboekjes)
schrijft, moet je dus goed opletten dat je je aan die regels houdt.
Voor kinderen van 7 tot 10 jaar
wordt de tekst steeds belangrijker, al zien ze ook nog graag plaatjes. Er zijn ontzettend veel soorten boeken voor deze leeftijdsgroep;
informatieboeken, griezelboeken, historische boeken, fantasieboeken, romantische
boeken, paardenboeken, voetbalboeken, boeken met gedichten...
Dat geldt ook voor kinderen vanaf 10 jaar. De
woorden en zinnen kunnen naarmate je ouder wordt steeds iets langer en
moeilijker
worden. In de Harry Potterboeken staan soms zinnen van
5 of 6 regels. Die zijn
dan ook wel érg lang!
En dan?
Het is maar net waar jij van houdt. Dat bepaalt waar je over gaat
schrijven. Als jij tien uur in de week aan ballet doet, wil je daar misschien een verhaal over schrijven. Maak je anderen
graag aan het schrikken, schrijf dan een griezelverhaal.
Ook
krijg je soms ineens een idee door iets wat in je omgeving gebeurt, door een
krantenknipsel of tv-programma. Het is handig als je boeken leest die over jouw
onderwerp gaan, zo kom je er veel over te weten en kun je ook zien hoe andere
schrijvers het aanpakken. Je mag natuurlijk niet zomaar iets uit een ander boek
overschrijven en net doen of je het zelf geschreven hebt, dat heet 'plagiaat' en
is verboden. Je kan door het lezen wel zelf op een idee komen en daarmee aan de
gang gaan.
Het belangrijkste is dus het hebben van een goed idee. Als je dat hebt ben je al een heel eind. Dat idee bestaat uit een probleem dat opgelost moet worden; de hoofdgedachte of het 'plot'. Dat klinkt misschien ingewikkeld, maar het valt wel mee. Lees onderstaande voorbeelden maar eens. Kan jij bedenken wat de plot van 'Zorro, held van de Haringstraat' zou kunnen zijn?
Nu moet je gaan beginnen met schrijven. Oef, wat moeilijk, die eerste woorden! Dat wordt even diep nadenken.
Het begin
Het begin van je boek moet 'pakkend' zijn. Op de eerste pagina moet eigenlijk al
duidelijk zijn waar het een beetje over gaat. De lezer moet gelijk het gevoel
hebben dat hij in een spannend verhaal belandt en nieuwsgierig worden naar de
rest van het boek.
Twee voorbeelden:
1. Nikkie rent de kamer in. Ze blijft hijgend staan. Ze zoekt haar moeder. Mama roept dat ze in de keuken is. Ze is met het eten bezig. Nikkie vertelt opgewonden over de kat van oma Boender. Die heet Snoes en is in haar oog geschoten. Mama vindt het verschrikkelijk. Ze vraagt zich af of Snoes het overleefd heeft.
2.'Mama, mama, waar ben je?'
Nikkie stormt de kamer binnen. 'Heb je 't al gehoord?' De kat van oma Boender...
Nikkie blijft hijgend staan. 'Waar ben je?'
'Hier,' roept mama vanuit de keuken. 'Ik ben bezig met het eten.'
'Snoes is in d'r oog geschoten.'
Mama slaat een hand voor haar mond. 'In haar oog geschoten?'
'Ja!' roept Nikkie opgewonden. 'Ik heb het net gehoord, van Sandra.
'Wat verschrikkelijk. Is ze...?'
Welk begin is het spannendst?? 1 of 2?
Het eerste is een beetje saai, vind je niet? Dat komt omdat de zinnen allemaal
een beetje op elkaar lijken en er geen 'dialoog' in voorkomt, oftewel 'praten
met elkaar'. Dat maakt de tekst levendig en prettig om te lezen.
In die paar zinnen kun je al een heleboel te weten komen: Over wie gaat het? Wat
is er gebeurd? Waar speelt dit stukje zich af? Als het goed is wordt je
nieuwsgierig: Hoe loopt 't af met Snoes? Wie heeft er geschoten? Gaan Nikkie en
haar moeder iets doen?
De plot is dan ook: Er is een kat neergeschoten en de dader moet worden
ontmaskerd. Had jij 'm goed?
En dan moet je verder. Het is wel handig als je in grote lijnen
bedenkt wat er allemaal gebeurt in je verhaal. Hoe loopt het af, dus: hoe wordt
het probleem opgelost en op welke manier gebeurt dat?
Honderden vragen zul je moeten beantwoorden; Wie zijn de hoofdpersonen?
In welke tijd speelt het? Is de
hoofdpersoon een jongen of meisje? Welke kleur haar heeft ze? Wat voor kleren
draagt ze? Heeft ze broertjes of zusjes? Waar woont ze? Hoe ziet haar kamer
eruit? Heeft ze huisdieren? En zo kan je nog wel even doorgaan.
Ja, je denkt misschien dat schrijven een makkie is, maar er gaan heel wat
uurtjes denken/twijfelen/veranderen inzitten!
Niet elke schrijver werkt hetzelfde natuurlijk. Sommigen weten precies wat er gaat gebeuren, ze hebben alle hoofdstukken in het kort beschreven en gaan dat uitwerken. Anderen hebben alleen een begin en een vaag idee over het verloop. Die zien wel waar het schip strandt. Het een is niet beter dan het ander, je merkt vanzelf wat voor jou het beste werkt. Aan de slag dus!

Vraag je steeds het volgende af tijdens
het schrijven:
Zit er genoeg humor in?
Zit er genoeg vaart in? Oftewel: is het niet saai? Is er genoeg spanning?
Wordt het een mooi geheel?
Klopt alles? Heeft Keesje in hoofdstuk één blond haar, dan moet dat in hoofdstuk
vijf niet ineens bruin zijn (oke, het mag wel, maar alleen als hij het verft).
Zitten er geen taalfouten in?
Het einde
Het einde van je boek moet verrassend zijn en een
'ontknoping' bevatten. In het boek 'Sneeuw in de Zomer' van Cariet weet je in
het laatste hoofdstuk nog niet of het hondje 'Snowy' mee naar huis mag. Zo
blijft het spannend. Zou het goedkomen of niet? vraagt de lezer zich af. Pas op
de één na laatste bladzijde wordt dat duidelijk.
Probeer niet teveel te verklappen. Laat de lezer maar in spanning zitten.
Een 'happy end' komt het meeste voor. Het geeft ook wel een fijn gevoel als
alles goed komt.
Soms is er een open einde, dan kun je zelf invullen hoe het af zal lopen. Dat
zie je vaak als er nog een vervolg op het boek gaat verschijnen. Je moet dan
doorlezen in deel 2 om te weten te komen hoe het verder gaat.
Is je verhaal klaar?
Laat het je vader/moeder/opa/oma/tante/vrienden lezen en wordt
niet gelijk boos als iemand niet zo enthousiast is als jij. Laat ze vertellen wat er nog verandert kan worden
en vraag waarom. Het is helemaal niet erg iets te veranderen (er is geen
uitgever die gelijk álles goed vindt).
Gewoon een beetje bijschaven en doorgaan... Elke beroemde schrijver is in het klein begonnen!
Als je je verhaal helemaal goed vindt, kun je het naar een uitgever sturen. Wat er daar
mee gebeurt kun je lezen bij van
schrijver tot boek.

Veel plezier, maak er iets moois van!!
Bij het maken van deze webpagina heb ik gebruik gemaakt van het boek: 'Schrijven voor kinderen,' van Wim Daniels.